De Drachmen

Mattheüs 17:24-27

Hebt u/jij de blauwe envelop al ontvangen? Elk jaar worden we eraan herinnerd dat het tijd is om onze belastingaangifte in te vullen. ‘ Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.’ De slogan van de belastingdienst, we kennen hem allemaal. Maar voor de meesten onder ons is dit verre van leuk! Moet je als christen nu wel of geen belasting afdragen? Romeinen 13:6-7 is daar duidelijk in: Ja! Maar wees niet bang, deze overdenking is niet met een opgeheven vingertje geschreven. Integendeel, we overdenken hoe Jezus met dit vraagstuk omging?

In Mattheüs 17:24-27 gaat het over het afdragen van de tempelbelasting. Toen Jezus met Zijn discipelen Kapernaüm binnenkwam, waren de belastinginners er als de kippen bij om aan Petrus de volgende vraag te stellen: ‘Betaalt uw Meester de twee drachmen niet? Het kwam erop neer of zijn Meester wel een goede Jood was: Betaalde Hij de drachmen – de tempelbelasting – wel?

We kennen Petrus een beetje, in zijn impulsiviteit zei hij: ‘Jawel.’ Pas dáárna begonnen de radertjes bij hem te draaien: Ben ik niet te snel geweest met mijn antwoord? Petrus twijfelde – toch maar de Meester vragen! Maar Jezus was hem voor en begon er Zelf over. Vragenderwijs maakte Hij Petrus duidelijk dat Hij, als Zoon van God, vrij was van de verplichting om de tempelbelasting te betalen (vs. 25-26). Dus Petrus had zijn mond weer eens voorbij gepraat? Ja en nee! Het is leerzaam om te zien hoe de Heer met impulsieve discipelen als Petrus omging; niet verwijtend maar onderwijzend! Jezus beëindigt zijn onderwijs met de woorden: ‘Dan zijn de zonen vrijgesteld’ (vs. 26). Deze woorden van de Heer zijn kostbare pareltjes die voor het oprapen liggen, maar in onze haast gaan we er vaak aan voorbij. Jezus zegt hier dat Hij Petrus [en ons], dezelfde plaats geeft die Hij als Zoon inneemt. In Efeze 1:5 staat dat God ons tevoren door Jezus Christus tot het zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft. ‘Zoonschap’ betekent in de positie van zonen. Misschien overbodig?, maar voor de duidelijkheid: als er wordt gesproken over zonen en zoonschap geldt dit zowel voor gelovige mannen als voor gelovige vrouwen.

Nadat de Heer Petrus erop gewezen had dat Hij niet schuldig was om mee te betalen aan het onderhoud van de tempel, zei Hij: ‘Maar om hun geen aanstoot te geven: ga naar de zee, werp een vishaak uit, en pak de eerste vis die bovenkomt. Doe zijn bek open en u zult een stater vinden. Neem die en geef aan hen voor Mij en voor u.’ (vs. 27). Jezus, de Zoon van God is niet alleen alwetend, Hij is ook Degene door Wie alle dingen zijn gemaakt (Joh. 1:3). Hij is de Schepper en Onderhouder van alle dingen (Hebr. 1:2-3a); de hele schepping behoort Hem toe en staat tot Zijn beschikking. De manier waarop Hij voorzag in het geld om de tempelbelasting te betalen, moet op Petrus, als gewezen visser, grote indruk hebben gemaakt; dit was hem in heel zijn vissersbestaan nog nooit overkomen.

Na deze openbaring van Zijn Goddelijke macht over de schepping, nam Jezus Zijn plaats van afhankelijkheid in en wilde niemand aanstoot geven. In Zijn grote genade verbond Hij Zijn zwakke en impulsieve discipel Petrus met Zichzelf, en zei hem over de stater: ‘Neem die en geef hem aan hen voor Mij en voor u.’ Hij bracht Petrus [en ons] in dezelfde betrekking tot God als die waarin Hij Zelf stond. En dat gaat ver uit boven het vraagstuk of we nu wel of geen belasting moeten betalen

Een gedachte over “De Drachmen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *